-
Zelfs de walvissen zwemmen de andere kant op

Hoe we proberen naar het zuiden van Brazilië te varen
Eind mei, hartje herfst op het zuidelijk halfrond, verlaten we de baai van Salvador. De heersende wind is in het najaar vooral zuidenwind. Wat lastig voor ons is omdat wij juist zuidwaarts gaan. Na iets meer dan drie weken na onze aankomst op vijf mei lijkt er een weervenster te zijn om verder te gaan, die pakken we!
Mag ik de teil na jou?
Heerlijk rustig motoren we met stralend weer de kalme baai uit. Een paar uur varen, voordat we op zee zijn. Dan, voorbij de stad Salvador, verandert alles. Het water klotst ineens alle kanten op, dichtbij zien we enorme brekers en de lucht wordt zwarter en zwarter… Een immens grote zeer donkere muur van wolken doemt voor ons op, precies aan de kant waar wij naartoe moeten. Ik voel me handen tintelen van de spanning. Plotsklaps is alles om ons heen zwart, waar de lucht eindigt en het water begint is niet te zien. De wind trekt flink aan, de golven worden hoger en wij houden ons eten niet meer binnen. ‘We keren om’, stelt Jouke voor. Ik wil dit niet, omdat we maar een paar maanden in Brazilië mogen zijn met ons toeristenvisum, voel ik een druk om verder te varen. Op de kaart kijken we of er geschikte ankerbaaien in de buurt zijn. Maar nee, de ankerplekken zijn te ondiep of niet beschut met deze wind. Hoewel we ons beiden hondsberoerd voelen, besluiten we door te zetten. Om de beurt geven we over in de teil. Maar vaart de goede kant op hebben we wel. En een uur of zes later trekt de lucht meer open, ik zie sterren, de golven worden kleiner en wij voelen ons steeds beter.
De tweede dag hebben we een heerlijke zeiltocht. We halen het weerbericht op met de satelliettelefoon en we maken op basis hiervan een plan, of eigenlijk twee plannen. Afhankelijk van welke bestemming we bij daglicht bereiken, kiezen we of voor het dorpje Caravelas op de gelijknamige rivier of voor de eilandengroep Abrolhos waar de eerste walvissen van het seizoen te zien schijnen te zijn.



Elke avond feest in Caravelas
De wind heeft bepaald, door flink in te kakken, en het wordt Caravelas. Dit dorpje schijnt vooral bezocht te worden vanwege de duik- en walvistoertjes naar de eilanden Abrolhos. Precies de bestemming die wij overslaan.
Als we aan het eind van de dag aankomen na drie dagen varen, worden we verwelkomd met een vuurwerkshow. Wow, wat lief! De volgende dag komen we erachter dat er een twee weken durend festival aan de gang is. Elke dag een mis in de kerk, een optocht over het kerkplein, live muziek van plaatselijke fanfaregroepen en ’s avonds vuurwerk. We ontdekken een superleuk barbecuerestaurantje met heerlijke picanha en kippenhartjes, huren fietsen bij een fietsenmaker voor 1,50 euro per dag, maken mooie wandelingen (‘pas op voor de puma, die heeft hier laatst nog een peuter aangevallen!’) en ontmoeten behalve mega aardige Brazilianen ook twee andere zeilboten. De ene is een Amerikaans-Australisch stel met twee jonge kinderen dat ook zuidwaarts vaart en de andere boot is een jong stel uit Frankrijk dat naar het noorden vaart. Leuk om hun verhalen te horen!Caravelas 1




















Caravelas 2




















Vitoria, het Boston van Brazilië
Na twee weken gaan we weer verder. Er is voor een paar dagen gunstige wind voorspeld, zodat we kunnen afzakken. Ons doel is Cabo Frio, een paar honderd mijl zuidelijk. Wat we dan nog niet weten, is dat het pas zes weken later zal zijn dat we daar aankomen.
Onderweg zien we de ene na de andere bultrugwalvis opduiken. Zo mooi! Maar ook wel spannend omdat ze soms heel dichtbij komen. In de herfst zwemmen enorme aantallen van deze walvissen vanuit de koude Antarctische wateren naar het warme Brazilië om te kalven en te paren. De eilandjes en riffen van de eilandengroep Abrolhos blijken perfecte beschutting te bieden aan de jonge dieren en hun moeders. Erg leuk om de walvissen te passeren op hun weg omhoog.
Wanneer we halverwege richting Cabo Frio varen, valt de wind helemaal weg. Oh nee! We staan voor een dilemma: of bijna twee etmalen motoren of ons plan aanpassen en naar de stad Vitoria gaan waar we nu vlakbij zijn. Omdat er heel harde zuidenwind is voorspeld anderhalve dag later kiezen we voor Vitoria. Stel dat de harde tegenwind eerder inzet, dan redden we Cabo Frio sowieso niet. Daarnaast hebben we ook geen zin om zo lang te motoren. Ik moet bekennen dat ik wel een beetje baal, straks redden we het niet om binnen de gekregen drie maanden Brazilië te verlaten… Aan de andere kant hadden we van verschillende zeilers heel positieve verhalen over Vitoria gehoord: ‘De stad is fantastisch, de vibe lijkt heel erg op die in Boston!’.
En wow, wat een geweldige plek is Vitoria. We ankeren vlak voor het ellenlange strand waar het een groot feest is. Er is muziek, mensen zijn aan het barbecuen, roeiers en zwemmers trainen in het water, de vrolijke terrasjes zitten vol, trouwfotosessies vinden overal plaats, ijsverkopers lopen rond, er wordt fanatiek gebeachvolleybald en jonge mensen stralen in hun afgetrainde lichamen. Wanneer ons anker vastzit, komt er een bijboot met drie mensen erin op ons af. ‘Jullie komen straks bij ons aan boord barbecuen!’, zegt een van de mannen tegen ons. Begrijpen we het goed? Iemand die ons niet kent, nodigt ons meteen uit? ‘Ja, op onze boot Led Zepellin!’ De zeer hartelijke gastvrijheid van deze Braziliaanse zeilers overvalt ons. Hoewel we de uitnodiging afslaan, is de toon meteen gezet: we voelen ons ook hier enorm welkom.
Toen we Caravelas verlieten, verlieten we ook de staat Bahia. Nu zijn we aangekomen in de veel kleinere staat Espirito Santo. Bij aankomst in elke staat, moet je je melden bij de Capitania des Portos. Na een paar dagen gaan we naar het kantoor, want we zijn er al even en afgaand op de weersvoorspellingen zullen we er ook nog wel een tijdje blijven. We weten niet goed in hoeverre het melden verplicht is. De twee mannen die het formulier voor ons opstellen, kunnen ons dat ook niet vertellen. Desalniettemin lijken we alle vier blij met het resultaat: drie officieel uitziende documenten. Ik stop ze zorgvuldig in mijn map en we spreken met hen af dat we ons weer melden vlak voor vertrek.
Wanneer we naar de weersverwachtingen kijken, zien we behalve geen wind of zuidenwind ook dat het droog blijft. ‘Is het anders een idee om hier de ramen te gaan doen?’, stelt Jouke voor. Onze ramen van het dekhuis lekken sinds anderhalve maand. Ik vind het een supergoed idee. We gaan meteen aan de slag. We verzamelen de klusspullen die nog ontbreken, we halen alle tien de ramen eruit, vervolgens ontroesten we het staal, dat behandelen we met primer en lakken we af, daarna gaan de ramen er met flink veel kit weer in. En tussendoor geven we ook de binnenkant van het dekhuis een laagje verf. Na drie weken zit de klus erop en kunnen we weer chillen!
Omdat we midden in een best grote stad bivakkeren, kunnen we makkelijk spullen kopen. In een gedeeld excel-bestand staat onder andere een lijst met bootspullen die nog ontbreken. We kunnen er hier best veel afvinken. Maar er is nog iets anders dat Jouke wil hebben. Aan de verkopers beeldt hij het uit door zijn linkerarm omhoog te buigen en met zijn rechterhand op en neer te bewegen van links naar rechts. Intussen blaft hij als een vrolijk hondje. ‘Kiko!, Kwaka!, Kwoko!’ roep ik naar de verkoper. Hij heeft zijn collega erbij gehaald, misschien begrijpt zij ons. Jouke wijst naar een trommel en beweegt zijn rechterhand opnieuw. ‘Ahhhhhhhhhh, uma cuica!!’ We staan in een muziekwinkel en de verkoper neemt ons nu mee de trap op. Daar staat het Braziliaanse percussie-instrument dat een heel geinig, typisch sambageluid maakt. De prijs blijkt iets hoger te zijn dan we in gedachten hadden. Maar een paar dagen later gaan we terug en koopt Jouke de kleine trommel met een stokje aan de binnenkant waar je met een vochtig doekje langs moet wrijven om het te bespelen. Nu nog op zoek naar een sambaband!
Uiteindelijk blijven we vijf hele weken in Vitoria. We kunnen niets bedenken wat we niet leuk aan deze stad vinden. Het strand, de supermarkt op loopafstand, met de Uber overal naartoe gebracht worden, de heerlijke barbecuerestaurantjes en de gezellige avonden met Alexander van de Led Zeppelin. Aan het strand worden ruime appartementen gebouwd. ‘Zou zoiets niet leuk voor ons zijn, ooit?’. Ja, we zouden hier zo nog heel lang kunnen blijven. En dan te bedenken dat we Vitoria bijna hadden overgeslagen. Wanneer zich een goed weervenster aandient, vind ik het zelfs jammer. Maar begin juli is het zover: we gaan verder, nu echt naar Cabo Frio.



















Vitoria 2




















Foto’s Altino Silva




-
Brazil Dois Mil

Mei 2025. Bam bam bam, ik duik naar de grond, er wordt iemand vlakbij neergeschoten. We zijn in het mooie Salvador en de stad is een mix van armoede, oude Europese gebouwen en bendegeweld. Vanaf vijf uur ‘s middags rijden de auto’s door rood omdat de bestuurders anders bang zijn om bij het stoplicht overvallen te worden. Zijn wij bang? Nee niet echt, af en toe worden we tactvol via een andere straat begeleid door de zwaar bewapende militaire politie. Die steeg is niet veilig, zeggen ze. Het zal. Op elke straathoek staat een bus met minstens twee man of vrouw met automatisch geweer. Overdreven ziet het eruit maar gelukkig blijft het hierom rustig. De liquidaties met vuurwapens horen we een paar keer per nacht. ‘Nee het is vuurwerk’, houden mensen vol. Ze willen je niet bang maken. For the record: achteraf blijkt dat ik veel te veel sensatiebelust ben en blijkt het echt alleen maar vuurwerk te zijn. Er gebeurt ons dus niets maar we krijgen constant het advies om goed op te passen. Na een lekkere borrelhap met garnalen en visballetjes vragen we aan de barman: ‘Is het veilig om die tien minuten in het donker terug te lopen?’. ‘ABSOLUUT niet, ben je gek geworden?’. Wat voor de auto’s geldt, geldt ook voor ons. Is het licht dan ben je veilig, gaat het schemeren dan pak je een taxi. Nou vooruit dan doen we het zo. We pakken de Uber-app erbij en even later zijn we weer veilig aan boord.











Het is eind mei en we liggen ondertussen alweer twee weken met de boot in hartje centrum Salvador. De haven is omringd door hoge hekken en er is veel bewaking. We liggen aan een drijvende steiger waarbij de planken in de lengterichting liggen in plaats van dwars. Het geheel heeft behoorlijk te lijden onder de deining die regelmatig de haven komt binnen zetten. Planken ontbreken waardoor je goed moet opletten waar je loopt. We kijken uit op prachtige oude gebouwen, die allemaal leeg blijken te staan. Soms is het enkel de gevel die nog overeind staat maar wel goed wordt onderhouden. Bij onze eerste voorzichtige uitstapjes de stad in maken we kennis met de super, super vriendelijke Brazilianen. Wat een fijne sfeer overal. Ja praatjes maken we genoeg, ons Portugees is bar slecht maar dat weerhoudt mensen er niet van om even tegen je aan te ouwehoeren.
We gaan naar musea, laten een kussen opnieuw bekleden, bezoeken een vuurtoren en gaan uit eten. We eten traditionele visschotels om je vingers bij af te likken, gaan een paar keer naar de Japanner en natuurlijk op zijn Braziliaans naar een Kilo restaurant. Dit is een buffet waar je per kilo afrekent. In heel Brazilië wemelt het ervan en deze plekken zijn populair tijdens de lunch. Aan de Braziliaanse smaak moeten we wel erg wennen, ze kruiden hun eten minder dan wij gewend zijn en ook de producten uit de supermarkt missen smaak. Grappig is dat de serveersters je altijd waarschuwen dat de milde hotsauce die ze geven bij het eten erg, heel erg scherp is.
Bij het verkijgen van een simkaart bij de lokale mobieletelfoonnetwerkmaatschappij-winkel gaat het wel ff mis in mijn hoofd. We komen in een kafkaesque situatie terrecht. Tussen het moment van het openen van de la waar de simkaarten in zitten en het moment dat we de simkaart krijgen zit meer dan drie en een half uur. Wat een geschuif met formulieren, contracten, kopietjes, computersystemen, handtekeningen, teamleiders, managers en ‘ha um problemas’. Het mooiste was dat bij elk nieuw invoerscherm de teamleider opgetrommeld moest worden om onze medewerker voor deze stap weer te autoriseren. Ze konden me bijna wegdragen en ondertussen had ik het liedje van Zuco 103 in mijn hoofd: ‘Brasil 2000’ link naar song :’)
https://www.youtube.com/watch?v=ztH8KHqrqUc



































We genieten van de stad, het mooie centrum en de interessante achterafstraatjes en verlaten hoekjes maar schrikken soms van de armoede. Veel mensen slapen op straat. Soms alleen in een portiek maar ook in groepjes, netjes op een rijtje op luchtmatrassen en slaapzak onder een overkapping. De parken en pleinen zitten gezellig vol, er zijn veel straatventers met karretjes, koelboxen met biertjes of ijs om iedereen te voorzien. Als je dol bent op kokoswater uit de kokosnoot dan zit je hier goed.
Op een middag zijn we in een reusachtig park met enorme waterpartijen en maken we een rondwandeling. Deze duurt ongeveer drie uur staat op de kaart. Voor een park in de stad is het enorm groot. Gek genoeg zijn we er helemaal alleen. Een vrouw komt op ons af en ze vertelt dat het pad gesloten is maar de route lopen met de klok mee kan wel. Een ranger haakt later aan en vertelt ons heel vriendelijk dat na vijftien minuten het pad dood loopt en het geen zin heeft om verder te gaan. We antwoorden dat we nog een klein stukje verder lopen en dan omkeren. Wat een prachtig bos. Wat een mooie vogels. We zien geen capibara’s al moeten ze er wel zijn. We worden getrakteerd op een mooie roofvogel die vlak voor ons door de bomen suist en voor ons op het pad neerstrijkt. Een half uur later verschijnt de ranger, nu op zijn brommer en sommeert ons om te keren. Tsja, dat vinden we lastig, het is zo mooi en het pad prima begaanbaar. Als iemand me vertelt dat ik er niet mag komen word ik een beetje opstandig. We gaan door, zeg ik, Pleuni heeft er al geen zin meer in. Later lopen we toch vast, een groep mannen in een truck houdt ons tegen, nee verder kan absoluut niet, het is gevaarlijk. Een clubje met waakhonden komt er vervolgens aan en een heel grimmige sfeer doet ons omkeren terug naar de ingang. We begrijpen het niet maar helemaal zuiver voelde de situatie niet aan. Later, veilig in de Uber, lezen we op internet dat het park deels buiten de controle van de rangers is gekomen en er tegen de regels in villa’s worden gebouwd zonder vergunning. Bij een lokaal protest tegen deze ontwikkeling is al een dode gevallen.













Bahia
Na twee weken Salvador verlaten we de drukte en gaan we de grote baai waarin deze stad ligt verder verkennen. Er zijn mooie eilanden en bossen die we graag willen bekijken. Via een extra stop bij een YachtClub komen we voor een eilandje te liggen waar we het vertrouwde, ontspannen Carieb gevoel hebben. Mooie baai, mooi water en kleurrijke huisjes. Er komt een jongeman met zijn houten boot naar ons toegescheurd: comer comer? vraagt hij. Ja, we moeten nog lunchen en we stappen in zijn boot. Hij zet ons af voor een prachtig hutje versierd met schelpen en aardewerk en eten heerlijk van de oesters en vis. We nemen flessen zelfgemaakte likeur mee achteraf en verkennen het dorp.
In de komende vier weken die we in Bahia (de baai van Salvador) zijn, varen we naar de verschillende eilanden, wandelen we door bossen en moerassen, zien we papegaaien, aapjes, rode ibissen en prachtige zonsondergangen. En elke keer weer worden we verrast door de Braziliaanse vriendelijkheid en nieuwsgierigheid. En wat een natuur, we zijn fan van Brazilië!!





































-
Gaat het ons lukken om Salvador te halen? Onze tocht van Gambia naar Brazilië

Tien april is het zover: we verlaten Gambia om de oceaan over te steken naar Brazilië. Een tocht waar we je nog niet over verteld hebben. Wanneer we wegvaren uit Banjul de zee op zijn de golven hoog en irritant. Met de motor op volle toeren hakken we ons een weg naar buiten. ‘Oh, er drijft ook troep rond,’ laat ik Jouke weten als ik een breed houten plankje voorbij zie komen. Oppassen geblazen dus, want zo’n plank kan onze schroef flink beschadigen. ‘Is dat niet een onderdeel van onze boegspriet?’ vraagt Jouke zich af. Verrek! Door het harde stampen op de golven is een van de planken eraf getrild.
We motoren bijna drie uur door totdat we denken voldoende uit de kust te zijn om de goede kant op te zeilen. Dat lukt maar net, we zeilen aan de wind en houden precies voldoende hoogte om niet te dichtbij land uit te komen. Wanneer we vlak voor ons grote, brekende golven zien schrikken we enorm. Zit hier een ondiepte? Op de waterkaart staat die net ergens anders, maar ja zandbanken kunnen natuurlijk verplaatsen. We kunnen de brekers gelukkig ontwijken maar we realiseren ons wel dat we beter nog iets langer hadden door moeten motoren. We komen nu eigenlijk te dichtbij het land uit. In dieper water zijn we veiliger.
Je denkt wellicht: waarom varen ze langs de kust? Ze gaan toch de oceaan oversteken? Om op de gewenste plek in Brazilië uit te komen, kunnen we niet in een rechte lijn op ons doel af varen. De doldrums, grote windstiltegebieden, en fikse westwaartse stroming vlak onder de evenaar zorgen ervoor dat we strategisch te werk moeten gaan. We hebben een aanpak gekozen: we gaan zo oostelijk mogelijk de evenaar over. Niet meer dan 22 breedte graden. Het nadeel van deze koers is dat hoe dichter bij Afrika hoe groter de doldrums zijn. Want als we al eerder koers zouden zetten naar Brazilië zouden we minder last hebben van de doldrums. Maar het nadeel is dan weer dat we door de stroming vlak onder de evenaar meteen naar westen geduwd worden en te noordelijk uitkomen. Onze boot blinkt niet uit in scherp aan de wind varen, wat betekent dat we in Brazilië veel moeite gaan hebben om nog naar Salvador te komen. Wie weet komen we er wel helemaal niet! Van meerdere zeilboten hebben we al gehoord dat het ze niet gelukt is om op de gewenste plek uit te komen. We zakken dus eerst de Afrikaanse kust af, voordat we echt gaan oversteken.
Net van de schrik bekomen door de grote brekende golven, zien we opeens van land tientallen open visserskano’s recht op ons af varen. Zien ze ons wel? Ze komen zo dichtbij! De mannen zwaaien uitbundig en schreeuwen ons enthousiast toe, alsof we met z’n allen ons favoriete voetbalteam gaan aanmoedigen. Jouke brult met ze mee, wat voor nog meer opwinding op de felgekleurde houten boten zorgt.
Intussen piep ik mijn curry op die we de dag ervoor bij een afhaalrestaurant hebben gehaald. Als ik het eten uit de magnetron haal, valt alles over de grond. Ik kan wel janken, wat ik dan ook doe. De onstuimige zee, de zeeziekte, de schuddende boot en dan ook nog mijn avondmaaltijd verpest.. en dit nog 2300 mijl lang..
Zo dynamisch als de eerste dag was, zo weinig spannends gebeurt er de dagen erop. We varen pal zuid, richting de evenaar. En zo’n zeven graden boven de evenaar komen we in de befaamde windstilte terecht. De wind kakt in en op de vijfde dag maken we een voortgang van maar 66 mijl. De dag erna gaan we zelfs maar 44 mijl vooruit. En de dag daarna nog maar 34 mijl. We zweten ons suf, het is hartstikke warm en benauwd. Af en toe komt er een squall voorbij, een onweersbui met gelukkig een beetje wind.
En dan op 22 april is ie er weer: wind! Een bijzondere dag aan boord, want we steken dan de evenaar over! Voor beiden van ons de eerste keer op het zuidelijk halfrond. Je vraagt je vast af of we Neptunus nog geëerd hebben. Ik vermoed dat we de enige zeilboot zijn die deze traditie heeft overgeslagen, ik lag namelijk zo heerlijk te slapen. Desalniettemin hebben we prachtige dagen op zee. We leggen mooie dagafstanden af, Jouke vangt een gigantische merlijn en we krijgen twee nachten op rij bezoek van een twintigtal noddies. De vogels zitten achter elkaar op de bakboordreling te slapen, een prachtig gezicht. Zodra de zon opkomt, vliegen ze een voor een weg. Een dek vol vogelpoep achterlatend. ’s Avonds komen ze weer terug en zoeken ze hun plekje op.
Inmiddels beginnen we af te tellen, nog iets meer dan tweehonderd mijl te gaan. Het is 1 mei en we zijn er bijna! We kijken terug op een goede oversteek. Heel comfortabel, wel zeven boeken heb ik kunnen lezen. Inmiddels hebben we koers gezet naar de stad Salvador.
Maar we beginnen te vroeg terug te blikken. We zijn er nog niet… de wind begint steeds meer aan te trekken en verandert van richting. We moeten scherper en scherper varen, de boot gaat steeds schuiner. Om vaart te kunnen houden hebben we zowel de genua als de kotterfok omhoog. Maar de onweersbuien nemen ook toe. Hierin zit zoveel wind dat we bij elke squall helemaal plat lijken te liggen. Twaalf knopen zie ik op de snelheidsmeter, dit gaat veel te ruig. Het regent hard en golven denderen over ons heen. De laatste twee nachten brengen we samen in het dekhuis door, het is te ontstuimig om de nachtdiensten alleen te draaien. Koken lukt niet, gelukkig vinden we nog pakken mueslirepen. Zelfs de vieze met bananensmaak gaan op. Nu er zo veel water over de boot komt, zien we dat het water via de ramen van het dekhuis naar binnenkomt. Oh nee, lekkages! Door verouderde kit bij de dekramen zijn er waarschijnlijk kieren ontstaan waardoor het nu onder de ramen lekt. Wanneer is deze ellende voorbij? Oh wat kijken we ernaar uit als we er zijn. De wind blijft maar aantrekken en de golven worden hoger en hoger. Ik tel de mijlen af.
En dan alsof ze er snel voor ons neergezet zijn, doemen opeens de hoge flatgebouwen van de stad Salvador op. Land in zicht. Eindelijk. Op zaterdagavond 3 mei gebeurt het, we laten het anker zakken in de baai van Salvador. We zijn in Brazilië!











-
Twee weldoeners in Afrika

Gambia heeft een diepe indruk op ons achtergelaten, zo diep dat we er nog maar een blogje aan wagen. Een blogje van de captie dit keer. Kan de BossLady even lekker een boek lezen en Duolingoën.
Al tijdens het begin van onze rivierreis waren we het erover eens, hier komen we nog eens terug. En wie weet wel met een auto, of een camper. Wat een gaaf land is het, wat een indrukken. Alles was zo nieuw, het was net alsof we weer voor het eerst op reis waren. En ja, af en toe was het spannend en vonden we het lastig om situaties goed in te schatten, maar dat is ook een onderdeel van de beleving. We hebben ons nooit onveilig gevoeld, wel vaak ongemakkelijk. De mensen zijn superaardig en beleefd en altijd in voor een praatje. Al is het vaak om eens te onderzoeken of je bereid bent ze wat te geven, ze zijn immers straatarm. Geld geven we niet maar een minipakje L&M’s kan er soms wel van af.
We zijn zo onwennig in het begin
Na onze eerste stop, de Lamin Lodge, komen we geen zeilers meer tegen. Heel soms een verdwaalde toerist. Zonder voorbeeld of kans om advies te vragen voel ik me in het begin onwennig. Hoe kunnen we voorkomen dat we niet in zeven sloten tegelijk lopen? Kloppen de waterkaarten? Zijn we wel welkom? En later: hoe moeten we ons verhouden tot alle aandacht die we krijgen? De eerste week gaan we alleen op plekken aan land waar we andere toeristen verwachten. Onderweg zwaaien we, veilig vanaf onze boot, de mensen toe die we tegenkomen. De vissers in kleine houten kano’s en af en toe iemand langs de waterkant.








De vader van Bamadi
Are you Karim his people from the Lamin Lodge? Verbaasd over deze vraag, hoe weet deze jongen dat wij vanaf de Lamin lodge komen? Yes yes I know, you are Karim’s people. I call my dad, he will come and help you with everything. Oké oké oké, uiteindelijk gaan we twee ochtenden met de vader van Bamadi op pad. We zijn immers bij deze Lodge voor anker gegaan om de benen te strekken en om van hun gidsen gebruik te maken. We hopen een excursie te kunnen maken door het nationale park. ’s Avonds als we dineren in de Lodge komen we erachter dat de vader van Bamadi niet de gids van het park is zoals hij zich voordeed maar als bewaker van de lodge is aangesteld. Haha we zijn er weer ingetuind, het ging ook allemaal te soepel. We kunnen er om lachen en bij Bamadi aan de bar bestel ik nog een biertje: Hi Bamadi, did you know your dad is a security guard and not a guide? Ik klap vervolgens de vader in zijn beveiligerstenue hartelijk op de schouder, zijn nachtdienst als bewaker is net begonnen. Met een paar grappen leg ik de ongemakkelijkheid van de situatie bij hem neer maar laat hem ook weten dat we morgen met hem mee gaan. Alle ogen van het personeel zijn op ons gericht als ik zeg: Can you also keep an eye on the boat mister security guide?
De volgende ochtend neemt de vader van Bamadi ons op sleeptouw, onder andere naar de rijstvelden, zijn specialiteit als landbouwingenieur. Hij blijkt een prettige verteller en leert ons over de ramadam, over zijn land en over hoe mensen hier leven. Hij is altijd bezig om het beter te krijgen, hij wil een betere toekomst voor zijn gezin. Onder de indruk zijn we van het verhaal dat zijn zoon Bamadi bijna is omgekomen door schipbreuk in een poging Europa te bereiken. Een tragisch verhaal waarbij andere opvarenden minder geluk hadden. Nu werkt zijn zoon Bamadi vrijwillig in de bar van de Lodge waar hijzelf bewaker is. We begrijpen hem beter, hij regelt een baantje voor zijn zoon en zijn zoon koppelt hem aan ons voor wat extra’s.
Het zijn twee prachtige ochtenden ondanks dat we niet naar het bos gaan zoals is beloofd. Na afloop betalen we onze gids en zitten we nog even gezellig met hem na. Ineens verandert er iets. Van een gezellig gelijkwaardig gesprek wordt er op ons sentiment ingespeeld en begint hij te zeuren om meer geld. Geld voor een traktor, voor een motor, hij heeft alleen een ezel. Geld voor nieuwe banden voor zijn kar, hulp bij het verder laten studeren van zijn zoon… Pleuni lacht: wow jij hebt wel heel veel wensen. We geven niet toe, hij heeft toch al aan ons verdiend? Dat het contact zo eindigt vind ik jammer, het geeft een nare bijsmaak.
Later gaan we het natuurreservaat maar op eigen gelegeheid in, zonder gids.
























Zonder gids
Nu het spannende er een beetje vanaf is krijgen we meer lef en durven we ook aan land waar geen toeristen zijn. Ach wat maakt het ook uit, we gaan waar we maar willen en we horen het wel als we ergens niet mogen komen. We leggen overal de bijboot aan en wandelen door de prachtige natuur en bezoeken vanuit ons gezien wonderlijke dorpjes en nederzettingen. Ja, hier doen we het voor, dit is wat je wil. Hoe meer afgelegen de plekken zijn hoe meer we met rust gelaten worden. Mensen zijn niet meer opdringerig maar juist verlegen. Ze proberen niet iets van je te krijgen maar willen iets aan je geven. We zien grote ogen, soms een begroeting. Maar je hoort nooit: hier mag je niet komen, hier is het gevaarlijk, je hebt iets gedaan wat niet mag of waarom heb je geen gids. Met de informatie, instructie en toestemming van Park Rangers trekken we zelf, dus zonder gids, de natuurgebieden van Gambia in.
Tijdens onze tochten komen we ontzettend veel apen tegen zoals de chimpansee, West-Afrikaanse rode franje apen en grote groepen bavianen. ‘Afstand houden hoor met die beesten, want ze trekken zo je kop van je romp,’ zeg ik tegen Pleuni. Mensapen moet je niet aanstaren horen we van de Rangers zelf. Elke ontmoeting met apen is fantastisch. Het lijkt soms net alsof je een wederzijdse herkenning ziet. Bavianen en chimpansees maken wel snel duidelijk dat je te dicht bij bent en schreeuwen je toe. Een keer klimt een chimp naar beneden, oef die is niet blij. Gelukkig zitten wij dan in de bijboot en chimpansees kunnen niet zwemmen. Dikke bluf.
Een ochtend kruisen we eens het pad met een krokodil die snel de modder inspurt en alleen een bellenspoor achterlaat. Wow! We zijn beducht op slangen en mijden het hoge gras. Maar de paden volgen we allang niet meer, met een satellietfoto en gps navigeren we dwars door de bossen, velden en de wetlands. Dit soms dagen achterelkaar. Elke keer durven we verder en verder. Zelfs verder dan we weten dat de gegidste wandelingen gaan.
Ineens, diep in het bos stuiten we op allemaal koeien, wat doen die hier? Verderop onder een boom staan hutten gemaakt van bladeren en takken. Wie zou hier wonen? De hutten hebben een kubusvorm, een vierkant houten frame van takken en bladeren voor de muren vanaf de grond naar boven toe en bladeren plus een zeiltje voor het dak. Er sluipt een kind rond dat zich dan verbergt in de hut, verder lijkt er niemand te zijn. We lopen maar verder en zien dan toch een groepje vrouwen bij elkaar. Ze zitten in klederdracht en eentje is gepiercet in het gezicht zoals ik het niet eerder gezien heb. Schuchter begroeten de dames ons. We lopen er maar rustig langs, houden afstand en kiezen een paadje zodat we wat verder van de hutjes aflopen. We willen sowieso niet storen en onze aanwezigheid voelt ineens een beetje ongemakkelijk. Nu zien we toch dat er iemand op ons afkomt, shit. Gaan we rennen? De man loopt naar me toe en gaat voor me staan. Hij pakt mijn beide handen vast zo zacht en warm mogelijk alsof hij mijn handen koestert. ‘Thank you’ en hij laat weer los. Ik ken mensen die dit fantastisch zouden vinden maar mij maakt het verlegen. Thank you, waarom? Hij loopt verder en gaat de bush in en wij vervolgen onze weg.
Eigenlijk voelen we ons overal veilig, is iedereen aardig en lachen de mensen veel. We besluiten, zo’n gids hebben we niet nodig. Dat wandelen en ontdekken in Gambia dat kunnen we zelf en is veel leuker ook.






















































Twee weldoeners in Afrika
Gambia is een van de armste landen ter wereld. Huishoudens hebben gemiddeld een jaarinkomen van € 400,- lezen we. We voelen ons steeds meer betrokken bij Gambia en wat zou het fijn zijn om iets te kunnen betekenen voor deze mensen. Toen we aankwamen in Banjul hadden we al een schooltje op het oog dat onze schoolspullen zou kunnen verwachten.
Maarrrrrrrrrrrrrrrrrr toen………..
Waarom komt de titel niet terug in deze blog? Ik heb een stuk tekst dat gaat over particuliere Nederlandse initiatieven in Gambia die ik ben tegengekomen wel vijf keer herschreven. Uiteindelijk ben ik tot de conclusie gekomen dat het me niet lukt om het helemaal te begrijpen. Ik moedig iedereen aan om zelfs eens naar Gambia te gaan en het land te beleven.
Willen geven aan mensen die het slechter hebben dan jij is natuurlijk in beginsel prachtig. Maar werkelijk waar alle Nederlanderse toeristen die we in Gambia tegenkwamen presenteerden zich ook als een soort filantroop. De een kwam met een doos telefoons en zak lollies, de ander met een container ziekenhuisbedden en zelfs iemand met een bijna nieuw uitziende Mercedes Vito (‘je had zijn ogen moeten zien toen ik de sleutels overhandigde, dat vergeet je nooit meer’). Ik kan nog wel even doorgaan.
Ook wij kwamen naar Gambia met een kapitaal aan schoolspullen uit de EU om te schenken, om een school verder te helpen. Wat is daar mee gebeurd? De schriften, pennen en bordkrijt zijn weer met ons mee gegaan, terug de zee op. Waarom? Het voelde te ongepast, ongemakkelijk ook. Het leek alsof we een precair proces ermee zouden verstoren. Het voelde misschien als broodroof voor de schoolspullenverkoper in Banjul, het spul kwam immers uit de EU. Pleuni omschreef het als: wie ben ik om te bepalen wat aan ander nodig heeft? We kwamen er niet helemaal uit en ja, deze argumenten om niet te geven kun je ook weer makkelijk weerleggen, ook omdat het schoolspullen betreft. Eén ding was me duidelijk we hebben onvoldoende nagedacht over de hoe en waarom je zou schenken, over de impact die je wil maken en welke mogelijke (negatieve) bijeffecten het heeft.
En die schoolspullen? Die heb ik onderweg naar Brazilië maar over de reling geduwd. Het enige wat ik wil doen, is jullie aanmoedigen dit prachtige land zelf te bezoeken en te beleven. Te kletsen met iedereen die je tegenkomt. Wij waren verrukt.

















-
Nijlpaarden najagen op De Gambia

‘Om ze mee om te kopen?’, de directe vraag van een bevriende zeiler op de steiger van La Gomera overvalt me. ‘Voor wat?’, reageer ik. Op een zeilersapp lees ik dat andere cruisers die in Gambia de rivier zijn opgevaren geregeld scholen bezoeken. Neem zo veel mogelijk schoolspullen mee, ze kunnen alles gebruiken!, roepen onze voorgangers op No Foreign Land en in hun blogs. Als docent en onderwijskundige laat ik me dat geen tweede keer zeggen. In de Chinese Bazar koop ik voor bijna honderd euro twee tassen vol met pennen, schoolkrijt, schriften en kleurpotloden. Het geeft me een goed gevoel, fijn om daar straks iets te kunnen betekenen. Enthousiast reken ik de spullen af. Nog niet wetende dat dat goede gevoel een kwartier later door de opmerking van onze zeilersvriend plaatsmaakt voor een gevoel van schaamte en ongemak. Hoezo wil ik daar de redder gaan uithangen?
Ver van de zee vandaan ontspringt de rivier The Gambia. Op een plateau in Guinea. Ze kronkelt met vele zijtakken naar Senegal en vervolgens door het land Gambia. Dat genoemd is naar de rivier. Als een dikke beschermlaag omringt het land de rivier, met daaromheen een nog dikkere laag die Senegal heet. De rivier ís het land, Gambia ís de rivier. Zo’n 160 mijl kunnen we haar op varen, tot aan het eiland Janjanbureh waar de elektriciteitskabels te laag hangen.

Wetlands en zijtakken Onze eerste stop is het dorpje Lamin, waar de Lamin lodge zit. Met de stroming mee varen we door de mangroves, we laten de stad Banjul achter ons. Op naar de nijlpaarden en de chimpansees! Na een halve dag motoren langs ondieptes, wrakken, vissers en tourbootjes met toeristen komen we aan in een heuse zeilershotspot. Ik tel wel twintig zeilboten die voor anker liggen. En de lodge heeft drinkwater, daar komen we voor. How are you boss lady? De jonge mannen op de kleine steiger begroeten ons uitgebreid. Ze willen weten hoe we heten en waar we vandaan komen. Als we iets nodig hebben; een taxi, brood, een tour of diesel dan helpen ze ons graag. Wij doen het liefst alles zelf, waardoor de gesprekjes na de beleefdheden wat onhandig eindigen. Terwijl de vrouwen van Lamin elke dag in hun bootjes oesters gaan rapen en deze klaarmaken om te verkopen aan de hotels, hangen de mannen wat rond. Elke toerist aanklampend voor een klusje dat we ook zelfstandig kunnen regelen. De haag van testosteron en verveling waar we ons elke dag doorheen moeten werken is groot en wordt naarmate de ramadan vordert steeds opdringeriger. Wanneer we na acht keer op en neer varen met de bijboot onze watertanks gevuld hebben, gaan we nu echt de rivier op, we zijn er klaar voor om hier weg te gaan.







De fikse stroming brengt ons meteen een heel eind op weg. Dolfijnen springen langs de boeg en pelikanen vliegen over ons heen. Hoe verder we varen hoe meer we in de natuur komen. De eerste paar dagen maken we vooral veel mijlen. Zodra de schemering inzet, zoeken we een plekje langs de rivier om rustig te ankeren. Behalve vissers komen we haast niemand tegen, geen vrachtverkeer, geen zeilboten en heel af en toe een ferry. Wel moeten we goed oppassen als we vissers zien. Ze vissen vaak met grote netten die bijna de hele breedte van de rivier beslaan. Met kleine piepschuimen balletjes en plastic flesjes markeren ze de netten. Ik sta dus als we varen in de kuip in de felle zon met een verrekijker het water af te speuren. Omdat er geen wind is, motoren we alles. Zo’n oersterk net in de schroef zou een ramp zijn! Meestal zien we wel een gaatje tussen de oever en het laatste drijvertje, zodat we er zonder schade doorheen kunnen. Maar soms ligt de rivier zo vol visnetten dat de enige optie is om de motor in zijn neutraal te zetten, zachtjes beweegt de stroming ons dan over het net. Als we eroverheen zijn, komt het flesje weer boven water en zien we dat het net niet aan de boot is blijven haken.













Na vier dagen varen liggen we vlakbij een smalle zijtak van de rivier The Gambia. We moeten wachten op de stroming oostwaarts en besluiten daarom de Olim achter te laten en met de bijboot het zijriviertje op te varen. Wie weet zien we wel krokodillen! We kunnen de zijtak heel ver opvaren en zien de meest prachtige ijsvogels op stokken langs het water zitten. Visjes springen op en koeien steken hun kop door de bosjes om ons te bekijken. Het motortje zetten we uit om ons heel langzaam en in alle stilte door de stroming te laten bewegen. Fluisterend zeggen we tegen elkaar hoe mooi het hier is. We hebben ons goed ingesmeerd, petten op, lange mouwen aan en veel water mee. Uren kunnen we op dit kronkelende riviertje blijven. ‘Toubab! Toubab! Your boat, big problem!!!’ Bruut wordt ons tripje verstoord. Twee jongens in een houten vissersboot roepen ons in paniek. ‘Come! Come!’ Jouke laat de buitenboordmotor in het water zakken en start de buitenboordmotor. Na drie keer trekken, gaan we. Wanneer we op de hoofdrivier aankomen, zien we gelukkig onze boot nog liggen. Het grote probleem blijkt hun enorme visnet te zijn dat om onze boot heen zit. Ze hebben hun net mijlenver uitgezet om het met de stroming mee te laten bewegen. Aan het eind van het getijde kunnen ze het net weer inhalen dat dan wellicht boordevol vis zit. Maar onze boot ligt op de route van hun net. Zo snel als ik kan, ren ik naar de ankerketting om hun net los te krijgen. Gelukkig lukt het zonder hun net stuk te maken. ‘Go! Go! Go!’ Oh shit, hun tweede net komt al onze kant op. Jouke start de motor en ik haal het anker op. We moeten hier weg! Terwijl ik de knop van de ankerlier ingedrukt houd, zie ik het brede net vol met drijvers op me af komen. Omdat het hier behoorlijk diep is, hebben we veel ankerketting gestoken. ‘Meer gas erbij!’ roep ik naar Jouke. Zo gaat de ankerlier nog sneller. ‘Ja, gelukt!’ we zijn nét op tijd los en varen zo snel mogelijk weg van het net dat inmiddels al achter ons langs stroomt. ‘Do you have some cotton for us?’, vraagt een van de vissers terwijl hij aan zijn shirt trekt. Toevallig heeft Jouke laatst in La Gomera wat shirts gekocht die net niet pasten. Deze shirts geven we hun.









Er is er een jarig hoera hoera Omdat we nu tegenstroom hebben, varen we langzaam verder. We besluiten vanaf hier niet meer op de hoofdrivier te ankeren, maar we zoeken inhammen en zijrivieren op. Inmiddels zijn we ook in het nijlpaardengebied aanbeland. Deze gevaarlijke dieren wil ik zo graag zien.
Nu we onverwachts verder varen, zoeken we een nieuwe ankerplek op. We varen langs een dorpje waar alle kinderen al langs de kant staan om ons toe te roepen. Ook komen bootjes op ons af. In de zeilersapp staat een waarschuwing voor een man die je vraagt geld te geven voor een school. Met een zelfgemaakt certificaat schijnt hij zeilers wijs te maken dat het de bedoeling is veel geld aan hem te doneren voor de school. Als enige volwassene tussen alle kinderen die op ons afkomt, herkennen we hem meteen van de foto’s in de app. We begroeten hem en varen gestaag door. Niet veel later roepen vissers ons. Ze wijzen naar de enorme python die in hun visnet zit. Oeps, zitten die hier ook?
We vinden een prachtige ankerplek tussen twee eilandjes. Het is dé plek waar nijlpaarden komen, dus als ze zich laten zien zitten wij hier goed. Het anker zit in de grond en we zijn blij dat we zo’n mooie plek hebben gevonden. Intussen komt er een vissersbootje op ons af gevaren. De vriendelijke visser vertelt ons precies waar de nijlpaarden zitten en garandeert dat we ze zullen zien. We spreken af dat als hij straks een vis vangt, dat we deze graag van hem willen kopen.
Niet veel later komt er weer een bootje naar ons toe. Twee jongetjes van een jaar of tien komen langszij liggen. We verstaan ze niet. Naast Engels worden er in Gambia nog vier Afrikaanse talen gesproken. Ze wijzen naar hun buitenboordmotor en herhalen het voor ons onbekende woord. Benzine zullen ze bedoelen. Maar nee, onze benzine hebben we zelf nodig. Ze vragen vervolgens om water en we geven hun een volle colafles met water. Of we niet ook wat eten voor ze hebben? Snoep, minty genoemd, misschien? Intussen begint een van de jochies wat spullen van onze boot vast te pakken. Mag hij de hengel niet hebben? Of een fender? Om ervan af te zijn, pak ik twee kindertandenborstels en -tandpasta voor ze. Toen ik begin twintig was en backpackte door Midden-Amerika leerde ik van ervaren reizigers dat je beter tandpasta kan geven in plaats van snoep en koek, logisch ook. De mondige van de twee vraagt meteen of we nog meer tandenborstels voor hen hebben. We beginnen behoorlijk geïrriteerd te raken en sturen ze nu weg. Jouke moet zijn stem verheffen. Het is dat de vriend van de zelfverzekerde zich inmiddels opgelaten voelt én degene is die aan het roer zit dat ze vertrekken.
Liggen we hier eigenlijk wel zo veilig? Wie weet komen de jongens vannacht terug? We hebben de vragen nog niet beantwoord of onze aandacht gaat naar het volgende smalle bootje dat eraan komt. Dit lijkt wel weer een serieuze visser, hij is wat ouder dan de jongens en heeft visgerei bij zich. Hij laat ons vast met rust laat. Oh, hij komt wel recht op ons af. Voordat we het door hebben, hangt hij aan onze boot. Hij wil even uitrusten in de schaduw van ons zonnepaneel aan de reling. Het is zo’n 35 graden en de zon schijnt fel. Desalniettemin vinden we zijn aanwezigheid niet fijn. We geven ook hem een fles water en vragen vriendelijk of hij weg wil gaan. Dan begint hij te vertellen, over zijn vrouw die is overleden, hoe weinig geld hij heeft, dat hij zo eenzaam is. Hoe fijn het zou zijn om in het Westen te wonen. Hij stelt vervolgens voor dat hij vertrekt als we hem geld geven. ‘Ok, we gaan’, zeggen we tegen elkaar. Terwijl Jouke de motor start, haal ik voor de tweede keer deze dag het anker omhoog.
We varen nog een paar mijl verder waar we in een natuurgebied komen. Wat verder van een dorp verwachten we dat we geen bezoekers meer zullen krijgen. En wanneer ik het anker laat zakken, zien we het: een nijlpaard! Vlakbij de boot. En de grote, donkerbruine kop zakt weer weg, onderwater. Wow!!! Zo gaaf!!!




Een Pygmee Kingfisher, zo klein als een pingpongballetje 




-
Toubab! Toubab! De Olim komt aan in Gambia

Al maanden staat ons onbezorgde leven in het teken van ontroesten, motoronderhoud, bootspullen kopen, zeilen vervangen en nog vele taken. Porto Santo, de Canarische eilanden én Nederland zijn de plekken waar we onze klussen- en aankooplijst aanvullen en afstrepen. Na zeven maanden ons – afgewisseld met mooie wandelingen en gezellige momenten op veel terrasjes – ingezet te hebben om de boot klaar te maken voor het vervolg van onze reis is het maandag 24 februari 2025 zover: we verlaten een van onze lievelingseilanden La Gomera. We gaan naar Gambia, het tweede deel van onze reis gaat beginnen!
Als we maar niet in het donker aankomen
De eerste twee etmalen van de achtdaagse tocht verlopen rommelig, de zee is onrustig en schudt ons continu door elkaar. Ben ik ooit zó zeeziek geweest? Zelfs een slokje water houd ik niet binnen. Waarom hebben we voor dit rotleven gekozen? Waar zijn we mee bezig? Ik wil naar huis! Weg uit deze ellende. En twee dagen later is er niets aan de hand en voel ik me als een kip zo lekker. Een mooiere invulling van mijn leven dan wat we nu doen, kan ik me niet voorstellen.
De hele tocht stroomt het fors de kant op die wij op willen, we hebben goede wind en een mooie vaart. Het tempo zit erin. Omdat we per se bij daglicht willen aankomen om de vele wrakken in de baai te kunnen ontwijken, vertragen we op de een na laatste dag. We varen nu westwaarts om een omweg te maken. Maar de extra mijlen blijken niet genoeg te zijn. Daarom halen we het grootzeil op de laatste dag naar beneden. ‘Nu komt het zeker goed, we zullen niet midden in de nacht aankomen,’ zeggen we tegen elkaar. Niet wetende dat de wind erna behoorlijk inzakt. Oh nee, nu komen we niet overdag maar in de avond aan! Snel trekken we het lichtweerzeil omhoog, zodat we vaart blijven houden en we het precies redden om vóór het vallen van de avond ons anker te laten zakken in de industriële haven van de stoffige stad Banjul. We zijn er!









Inklaren met of zonder fixer
Wat we de volgende dag als eerste moeten doen, is inklaren. We varen met onze bijboot langs oude, verroeste Nederlandse ponten en sleepboten die hier al even voor anker lijken te liggen. ‘Hello! Hello! Hello!’ Vanaf een ooit Workums vissersschip roept een magere man ons toe. ‘Do you have water for me?’ We geven hem een flesje water en vragen naar de herkomst van het schip. Helaas begrijpen we elkaar niet goed. Om de miscommunicatie te stoppen wensen we hem een fijne dag en varen we verder.
De beste aanlegplek voor onze bijboot blijkt de steiger van de Senagelese vissers te zijn. Prachtig geschilderde, lange ranke houten boten met rood-groen-geel gehaakte hoesen over de Yamaha Enduro’s liggen aan de drijfsteiger. De jongens liggen in hun boten netten te ontrafelen en klaar te leggen, messen te slijpen en vissen te sjouwen. Een warme geur hangt boven de aanlegplek die bezaaid is met oude oesters, garnalen en heel kleine visjes. Twee dames met ieder een enorme plastic bak vol gekoelde flesjes op hun hoofd komen hun drinken brengen. We zijn in Afrika.










Als we aan land zijn, stapt een jongeman met een groot glimmend embleem op zijn pet direct op ons af. ‘Hello, where are you from? What is your name?’ Zijn directe vragen verrassen ons en we geven braaf antwoord. Niet wetende dat exact deze twee vragen ons nog heel vaak gesteld zullen worden de komende weken door willekeurige voorbijgangers. We slaan de taxidiensten van deze jongen af. Als we hulp nodig hebben is hij er voor ons.
Langs rammelende vrachtwagens lopen we naar de kantoren van Health, Immigration en Customs voor de stempels in ons paspoort en de inklaarpapieren. De drie kantoren liggen verspreid over het haventerrein. Bij de slagboom heten de beveiligingsmedewerkers ons zeer hartelijk welkom. Ze wijzen ons duidelijk de weg naar het eerste kantoor. Als we denken er te zijn, twijfelen we. Er is geen deur voor het kantoor maar er hangt een dik bruin gordijn voor de deuropening. Waar kunnen we kloppen? ‘Hello?’ voorzichtig kijken we achter het gordijn. Binnen zit het bomvol met mensen en op de grond staan torenhoge stapels papier. ‘Kom binnen!’ We denken even te moeten wachten op onze beurt maar alle aanwezigen blijken medewerkers te zijn. Een enkeling ligt te slapen of kijkt op de televisie naar een spannende, Indiase soap. Wanneer we klaar zijn in het ene kantoor worden we doorverwezen naar het volgende. Binnen twee uur hebben we alle formaliteiten geregeld. ‘Wow wat ging dit snel!’ zeggen we achteraf tegen elkaar. Op zeilers-apps als No Foreign Land en Navily hadden we gelezen dat je hier zo een dag mee bezig bent en dat je vaak om geld gevraagd wordt hoewel het inklaren gratis is. Ook raden de app-gebruikers aan om de fixer Mustapha te vragen om te helpen, voor zestig euro begeleidt hij je door het hele proces. Dertig euro is hier een maandsalaris. We snappen er niks van: dit kan iedereen toch zelfstandig regelen zonder te veel te betalen.
Nu gaan we geld wisselen en een sim-kaart kopen. Terwijl we door de levendige straten van Banjul lopen, kijken we goed om ons heen op zoek naar eettentjes. Het stikt er van de zaakjes met visgerei, straatverkopers met Westerse kleding, schoenmakers, naaiateliers, moskeeën maar een lunchtentje of restaurant zien we niet. ‘Niemand op straat zie ik ook eten of drinken.’ ‘Nu je het zegt, terwijl het behoorlijk warm is.’ Op de achtergrond horen we ‘Allah Akbar’ galmen terwijl mannen hun gezicht wassen met water uit een grote plastic theepot en zich bukken om te bidden.
We wisselen onze meegebrachte euro’s naar heel veel dalasi in een krap wisselkantoor waar we even moeten wachten op de koerier. ‘Dit ging ook al zo soepel’, zeggen we opgetogen tegen elkaar als we buiten staan.
Richting de markt lopend spreekt George ons aan. Alsof hij al wist van onze komst en precies weet dat we een sim-kaart nodig hebben. ‘Kom maar met me mee’. We volgen George door de nauwe gangen van de overdekte Albert markt. Hij stuit daar op zijn vriend die uit zijn joggingbroek een nieuwe paarse Africell sim-kaart vist. Glunderend kijk ik Jouke aan, dit gaat ook al zo makkelijk. Maar Jouke zie ik licht fronsen. Ze nemen ons mee naar een kraampje met telefoonhoesjes. De verkoper van de accessoires kan ervoor zorgen dat we op internet komen. Dat een onbekende nu al een kwartier met mijn telefoon bezig is, maakt me wat onrustig. George en zijn vriend zeggen dat het goed komt. Jouke krijgt ook argwaan. Zo ingewikkeld is het niet om een databundel te activeren en normaal gesproken doen we dit zelf. We vragen de telefoon terug en rekenen de databundel af. George vraagt een bijdrage voor zijn hulp en zijn vriend voor de sim-kaart, die eigenlijk gratis is. Ik geef maar wat om van de situatie af te zijn. Wat is er gebeurd, waarom liepen we eigenlijk achter hem aan?Banjul verkennen
Onze eerste dagen wandelen we door de hoofdstad op zoek naar verswaren zoals fruit, groente en eieren. We ontdekken het heerlijke brood tapa lapa dat in elke straat wel te koop is. Fruit is lastiger te vinden. Bij een groentestalletje kopen we op twee kolen na alles wat het vriendelijke echtpaar heeft liggen, ondertussen lopen de geiten door de straat. Geregeld spreken mannen ons aan om te vragen naar onze naam en waar we vandaan komen. ‘Oh Netherlands, good people.’ Moeten we nu iets doen om zijn beeld van Nederlanders te bevestigen? We lopen maar door. Kinderen rennen op ons af: ‘Toubab! Toubab!’ Ze pakken onze handen vast en lopen een eindje mee. ‘Money, money!’ roept de stoerste. Zijn vriendjes roepen mee. Zo lopen we door smalle, stoffige straten met een slinger kinderen achter ons aan. De sfeer begon vrolijk en wordt steeds grimmiger. Totdat een jonge vrouw haar huis uitstuift met één slipper aan haar voet en de andere in haar hand. En de kinderen zijn verdwenen.
Hoewel we geen bananen of appels vinden, lopen we nu wel tegen een eettentje aan waar we aanschuiven om te lunchen. We blijken de enige gasten te zijn en de kok vraagt wat we willen eten: voor Jouke maakt hij iets met kip en voor mij iets vegetarisch. Hij vertelt ons dat het vanwege de ramadan rustig is. Ahhhh.. ramadan… vandaar… dat we nergens konden eten… En verklaart dit ook waarom de officials zo meewerkten?Na drie dagen in het voor ons zeer indrukwekkende Banjul vaart de Olim weer uit: de binnenlanden van Gambia in!













-
Cruisen door de Portugese Azoren

Hoe leuk is het om weer terug te komen op een plek waar we prachtige herinneringen aan hebben? Toen we met de net geen tien meterlange Island Lady in 2017 aankwamen op de Portugese Azoren, landden we op het immer groene Flores. Een klein, gemoedelijk en intens mooi eilandje. We vonden het een van de beste plekken waar we op de reis zijn geweest.
Zeilershotspot Horta
Omdat we onze goede herinneringen wilden laten voor wat ze waren, kozen we nu voor een landfall op het eiland Faial. De stad Horta op dit eiland is een ware zeilershotspot. De faciliteiten zijn hier geweldig: een grote haven, een ruime en goed beschutte ankerbaai ernaast, veel watersportwinkels en de befaamde zeilersbar Peter Sport. Logisch dus dat de meeste boten hier aankomen nadat ze vanuit De Amerika’s zijn overgestoken. Wij kiezen nu ook voor deze plek om te landen.
En het welkom kan niet warmer! Het is een stralende zomer, zonovergoten terrassen, heerlijke natuurzwembaden, enorm veel gezellige zeilersvrienden en er lijkt wel elke dag feest te zijn in de stad.
Lopend door de haven bekijken we alle muurschilderingen gemaakt door alle gearriveerde zeilboten. We zien veel bekende boten. En het is even zoeken, maar dan zien we een heel klein vierkantje met onze namen er nog op: ons schilderwerk uit 2017! Ik wist wel dat we bescheiden zijn, maar zó bescheiden.











2017 
Klussen en chillen
Behalve onze muurschildering bijwerken, hebben we nog een schilderklus te doen in Horta. We hebben ons voorgenomen het dek weer te ontroesten. Zodra we bij zijn gekomen van de overtocht starten we langzaam met dit werk. Omdat Olim van staal is, moeten we geregeld ontroesten. We varen eigenlijk altijd op zout water en dan roest het nog wat sneller. Dus tja naast de borrels en barbecues met de appgroep Hollanders in Horta en een heel toffe mountainbiketour over het eiland, zijn we ook lekker bezig met de boot. We schilderen het dek, we vervangen de startaccu’s, we doen onze belastingaangifte, we laten de zeilen repareren en riffen in de kotterfok maken, we repareren de verwarming, we lossen het probleem met de windvaanstuurinrichting op én we bereiden ons bezoek aan Nederland voor. In september 2024 zullen we namelijk voor een maand terugvliegen om ten eerste iedereen te zien die we zo gemist hebben maar ook om alle nodige bootspullen aan te schaffen die we onderweg niet kunnen vinden.








Sao Jorge en Santa Maria
Na een maand is het zover: alle klussen op de lijst zijn afgevinkt! We kunnen weer door. Onze volgende bestemming is Sao Jorge, een eiland zo’n vijftien mijl verderop. Hier liggen onze vrienden Martijn en Nienke van de Cruella. We hebben een toptijd met z’n vieren! Samen huren we een stoere Mitsubishi Jimny en crossen we het langgerekte eiland over. De indrukwekkende caleda’s, vulkaankraters, en kliffen zorgen voor fantastische uitzichten tijdens het wandelen.
Wanneer er na een kleine twee weken voldoende wind lijkt te zijn om te gaan varen, gaan we op weg naar Madeira. Meer precies koersen we af op het kleine strandeiland Porto Santo, dat bij de Madeira-archipel hoort. Het is een afstand van zo’n zevenhonderd mijl. De eerste twee honderd mijlen kunnen we goed zeilen. Maar dan, ter hoogte van de oostelijke eilanden van de Azoren, zakt de wind in. We varen dicht genoeg bij San Miguel om internet te ontvangen en bekijken het laatste weerbericht. Nee, te weinig wind om de oversteek naar Porto Santo te maken. Wat een pech, maar niet heus! We besluiten bij het eiland Santa Maria te ankeren. Een plek die zo mooi blijkt te zijn, dat ik het erg jammer vind wanneer de weergoden ons twee dagen later wel goed gezind zijn en we verder kunnen varen. Maar we gaan. Want nu we hebben besloten en geregeld om op 4 september vanaf Tenerife naar Amsterdam te vliegen kunnen we maar beter doorvaren.





















-
Varen we naar de Azoren of naar Groenland?

29 mei 2024
Waar we in Puerto Plata in de Dominicaanse Republiek de enige zeilboot waren die richting Bermuda voer, is in Bermuda elke zeiler onderweg. Een grote groep boten is op weg naar de Verenigde Staten of Canada en een nog veel groter aantal boten is onderweg naar Europa. Ik vind dat leuk, die sfeer van vertrek die er hangt. En om met anderen die dezelfde tocht gaan afleggen te spreken over de voorbereiding en de weersvoorspellingen door te nemen.
Dat weer is namelijk wel een dingetje. Tot zeven dagen vooruit kunnen we zien wat ons vermoedelijk te wachten staat. Maar daarna? En juist ter hoogte van de Azoren bevinden zich geregeld hoge drukgebieden waardoor er geen wind is. We willen een weervenster kiezen dat sowieso de eerste zeven dagen goede wind voorspelt. En hopelijk hebben we dan geluk en zullen we rondom de Azoren ook wind blijven houden. Het moment van vertrek bepalen voor zo’n lange tocht voelt wel als een gok.
Op 29 mei wagen we het erop. De voorspellingen zien er echt goed uit, voor de eerste week. En we kunnen onderweg met onze Iridium Go weerberichten ophalen. Iets waar we later op de tocht immens veel aan gaan hebben…
De avond voor vertrek klaren we uit. De volgende ochtend tanken we nog wat extra diesel en om tien uur varen we met fantastisch zomerweer de baai uit. Bye bye Bermuda! Alle zeilen trekken we omhoog, de motor gaat uit en … yes wat zeilen we heerlijk!
We blijken mega veel mazzel te hebben want we kunnen gewoon recht op ons doel blijven afvaren. Het hogedrukgebied wat we vrezen laat zich niet zien wat betekent dat we niet met een omweg naar onze bestemming hoeven te gaan.
Van tevoren heb ik onze ereaders volgezet met fantastische boeken als Ik kom hier nog op terug, Man maakt stuk, Onderland, Kairos en In de mist van Golden Gate Park. We lezen ze allemaal! En we koken goed, slapen prima en leggen intussen mooie afstanden af. Met behulp van de stroming mee 😊 Het is een supertocht en op 5 juni zijn we al halverwege! We fantaseren inmiddels over de restaurantjes waar we volgende week naartoe gaan.
Totdat we opeens, middenin de nacht van 6 juni stilliggen. De wind is plotsklaps op. Het is 2 uur ’s nachts en de zeilen beginnen akelig te klapperen. De genua draaien we maar in. Het grootzeil laten we staan voor het geval de wind weer verschijnt. Maar nee, om acht uur ’s ochtends dobberen we nog steeds. Om twaalf uur ’s middags zijn we nog geen mijl opgeschoten. ’s Avonds liggen we nog steeds stil. Na dertig uur behoorlijk midden op de oceaan te hebben gedobberd lijkt het erop dat we wind voelen. Inmiddels blijkt de stroming de andere kant op te zijn gegaan en zijn we vijftig mijl naar het westen gezet. We zijn niet eens meer op de helft!
Maar we kunnen weer zeilen, alleen niet de kant op die we willen. We varen nu pal noord. De wind trekt behoorlijk aan en we knallen richting Groenland. ‘Zullen we daar anders heengaan?’ stelt Jouke voor. Omdat we geen informatie hebben over de plaatsen waar we kunnen inklaren, lijkt het me beter toch naar het eiland Faial op de Azoren te gaan. Inmiddels lijkt het heel lang geleden dat we lagen te dobberen. We varen aan de wind en we hebben veel wind, soms wel 25 knopen. Intussen halen we twee keer per dag een weerbericht op, hopend dat er een keer goede wind wordt voorspeld om weer oostwaarts te kunnen gaan.
Na drie dagen pal noord varen, inmiddels zijn we niet ver van de ijsgrens verwijderd, lijkt er een heel smal streepje wind meer oostelijk van ons te zijn. Als die wind er ook daadwerkelijk is, zou dat super zijn. Maar als het niet blijkt te kloppen, belanden we midden in een windstil gebied. Iets waar we helemaal geen zin in hebben. Nu zeilen we ten minste nog. We besluiten het erop te wagen en veranderen onze koers van 30 graden naar 95 graden. De wind houdt aan! We varen weer op ons doel af.
Wanneer ik het boek World Cruising Routes van Jimmy Cornell pak, lees ik dat deze beroemde oceaanzeiler de door ons gekozen route ook adviseert. Heel grappig om te lezen dat onze noordelijke omweg een bekende strategie voor dit stuk is. Wat de meeste zeilboten lijken te doen is recht op het doel blijven varen en motoren wanneer de wind wegvalt. Omdat wij een zeer zwaar schip hebben met een oude motor die veel verbruikt, kiezen wij voor de te bezeilen omweg.
Wat later dan de boten met wie we vertrokken, komen we op 17 juni aan in de stad Horta op het eiland Faial! Ik vond het een toffe tocht omdat we door de vele weersveranderingen continu actief met het zeilen bezig waren.












-
Van de Dominicaanse Republiek naar Bermuda

Op dit moment, november 2024, staat de Olim na drieëneenhalf jaar op de kant op het Canarische eiland La Gomera. We hebben het afgelopen half jaar best veel mijlen afgelegd en dat is te zien. Van de rode antifouling is niet veel meer over.
Van waar vertrokken we zo’n zes maanden geleden? En waar voeren we naartoe?
Vertrek uit de Dominicaanse Republiek
Afgelopen mei begonnen we – stapsgewijs – aan de tocht terug naar Europa. We liggen te wachten in het Dominicaanse Puerto Plata op een goed weerwindow naar Bermuda. Terwijl we de dolfijnen horen joelen omdat ze hun ontbijt krijgen, naast de haven zit een sea marine park, checken wij de weerkaart. ‘Misschien dat we vrijdag wel kunnen gaan. Het lijkt erop dat de wind dan wel uit de goede hoek komt. Wel aan de wind, maar wie weet.’ Aan onze vrienden van de Ruimtevaarder vragen we hoe zij het zien. Zij liggen op de Bahama’s ook te wachten op goed weer naar Bermuda.
Helaas, hoe dichter vrijdag in de buurt komt hoe slechter het venster eruit ziet. Misschien maandag dan? Maar nee, elke keer als we denken dat er een mogelijk moment om te vertrekken aankomt, veranderen de verwachtingen keer op keer in ons nadeel. Komen we hier ooit weg?
We bereiden ons intussen voor op de oversteek door flink te bevoorraden. Net als alle andere marina’s in de Dominicaanse zit ook deze in een resort. Erg onhandig voor ons, want in een resort is geen grote supermarkt te vinden. Terwijl we die juist nu enorm hard nodig hebben. Ten eerste voor het inslaan van eten en drinken onderweg naar Bermuda. En een voorraad voor op Bermuda zelf waar alles, dus ook boodschappen, zeer duur is. En vervolgens voor de wekenlange tocht naar de Azoren. Gelukkig is er een heel klein en gezellig supermarktje op het resort, Juan. En heeft de marina een boodschappenservice naar een specifieke grote supermarkt in de dichtstbijzijnde stad. Met acht shoppers meld ik me ’s ochtends bij de receptie. De medewerker pleegt een telefoontje en een kwartier later stopt er een wit busje voor de marina. Een supermarktmedewerker rijdt me naar supermercado Jose Luis. In de ruime winkel krijg ik een uur. Precies de tijd die ik nodig heb! De volle kar reken ik af en dan laadt de medewerker mijn spullen in de bus en brengt me weer naar de haven. Perfect!
Intussen gaan we weer eens naar het strandje, zwerven we over het ietwat vervallen resort op zoek naar bijzondere plekken zoals een verlaten strandtent en ontdekken we een kleine sportruimte met wat oude en niet ongevaarlijke maar prima functionerende apparaten.
En na drie weken is het zover! 5 mei lijkt de dag te zijn. Het weervenster is niet ideaal, we zullen ook een etmaal moeten motoren maar beter dan dit hebben we het nog niet gezien. En onze vrienden van de Ruimtevaarder en van de Theodore vertrekken ook, dus dat wordt een gezellige boel straks op Bermuda!












De tocht naar Bermuda
Na iets meer dan zestig dagen klaren we uit op de Dominicaanse Republiek. Na zestig dagen zou je een zogenaamde navigational permit moeten aanschaffen via de Armada, een proces dat een aantal dagen tijd zou kosten en wat we niet in gang hebben gezet. Gelukkig horen we hier niets over. We krijgen twee mooie stempels in ons paspoort en alle medewerkers, van zowel immigratie als de marina, wensen ons een goede reis.
Ohhh wat is het heerlijk om eindelijk te kunnen varen na weken gewacht te hebben. En zo leuk om weer eens een flinke tocht te gaan maken! Vooral dat we geregeld dachten te kunnen gaan en dat dan het weerbericht verandert naar een ongunstige voorspelling was frustrerend. Maar als we dan eenmaal diesel getankt hebben en zijn losgegooid voelt dat zo vrij. Het is een heerlijk vooruitzicht om een aantal dagen op zee te zijn en straks aan te komen op een nieuwe plek. We hebben er zin in!
Dit euforische gevoel duurde helaas maar een paar seconden… Er staat een enorme deining op de oceaan, we varen net de haven uit en klotsen al alle kanten uit. Het waait behoorlijk. Ik voel me enorm beroerd. Vreemd genoeg ga ik als ik zo zeeziek ben automatisch aan alle andere keren dat ik me zo ziek voelde denken. Nu voel ik me nog slechter. Ik knabbel op wat droge toastjes en drink kleine slokjes water. Jouke heeft gelukkig nergens last van en stuurt ons perfect door de eilanden van Turks and Caicos.
De eerste nacht is spannend, om ons heen is veel bliksem. Niet de verstaging aanraken, zeg ik tegen mezelf. Het is geruststellend dat de bliksem vooral bij het land is, we varen er van vandaan. Inmiddels ben ik na een dag varen ingeslingerd. Ik voel me weer mens. Na twee dagen verschijnt daar inderdaad de voorspelde windstilte. We motoren pal noord, om zodra als er weer wind is richting ons doel af te koersen. Onderweg krijgen we bezoek van een zwak zwaluwtje, dat helaas niet te redden is. Intussen halen twee solozeilers uit Zwitserland en Frankrijk ons in, via de marifoon hebben we een gezellig rommelig gesprek over chocolade, rode wijn en kaas. Rommelig is onze hele tocht door de Bermudadriehoek wel te noemen: veel wind, regenbuien, donkere, onheilspellende wolken, bliksem, aan de wind beuken, boom erin om voor de wind te kunnen varen, motor aan, motor uit.
Maandag 13 mei denken we dinsdag overdag aan te komen. Bij daglicht aankomen zouden we heel fijn vinden. Helemaal omdat Bermuda een nieuwe plek voor ons is. Tot de wind opeens fors aantrekt. We hebben een flinke vaart! We zeilen supermooi aan de wind op een gladde zee, want het koraal van Bermuda houdt de golven tegen. Om één uur ’s nachts varen we het nauwe en slecht verlichte kanaaltje door de ankerbaai in. Zoveel boten! De hele baai lijkt vol te liggen. In het donker is het lastig te zien waar een plekje vrij is. Met een Maclite sta ik op de boeg het hele ankerveld te verlichten. Naast boten zien we ook tonnen opdoemen. Erg lastig om in deze donkere drukte een geschikte plek te vinden. Om twee uur is het zover, de tweede poging is goed, we hebben een plek gevonden. Lekker, het eerste stuk van onze oversteek hebben we gehaald!














Twee weken in Bermuda
Alsof we op een Brits tropisch eiland zijn aangekomen. Of dat is het eigenlijk ook. Schattige witte cottages met beeldige tuinen, terwijl reggaemuziek uit een voorbijrijdende auto swingt. Wanneer we zijn ingeklaard lopen we een rondje door het dorpje Saint George. Ik koop wat fruit bij de winkel bij het tankstation, vier dollar voor een mango.
We hebben het goed hier. Met oude en nieuwe vrienden vermaken we ons goed. Zo treffen we gelukkig de Canadese vrienden Michelle en Joe nog net voordat zij naar huis gaan varen. Op Sint Maarten vierden we samen kerst. Met Wil en Diana van de Theodore, die we hebben ontmoet in een supermarkt in de Dominicaanse Republiek en sindsdien mee zijn blijven appen, gaan we uit eten voordat zij koers zetten naar de Azoren. Natuurlijk trekken we veel op met de Ruimtevaarder, we mogen zelfs een avond op de twee jongens passen. En we ontmoeten nieuwe boten, zoals het Nederlandse gezin van de Pinta die nu na meer dan vijftien jaar reizen op weg is naar huis. Zij zijn in Patagonië geweest, dus we vragen hun om alle tips.
Bermuda bestaat uit meerdere eilanden die door bruggen met elkaar verbonden zijn. Smal en langwerpig is Bermuda, waardoor je overal een fenomenaal uitzicht op de oceaan en kleine eilandjes hebt. We hebben geluk, want het is het seizoen van de tropic birds. Langs de kust stikt het van deze mooie vogels met hun lange sierlijke staarten. We ontdekken een heel tof wandelpad! Ooit liep er een trein over het eiland. Door het vele en kostbare onderhoud aan het spoor bestaat deze trein niet meer. Maar je kunt wel heel mooi de Railway trail lopen. Vanuit Saint George hebben we zo een stuk van het traject afgelegd richting de hoofdstad Hamilton.
Na een week gaan we het weer weer in de gaten houden voor de volgende etappe. Ook nu moeten we even wachten, wat prima is. We voeren wat kleine reparaties uit, zwemmen met de papegaaivissen, gaan een keertje uit eten en pakken de bus naar de hoofdstad.
En dan lijkt er een goed venster te zijn. Omdat de tocht wel drie weken kan duren en een weerbericht niet veel verder gaat dan een week is het altijd een gok. Maar het weer voor de eerste week ziet er goed uit, dus we gaan! Op naar Horta, op naar de Azoren!












-
Waar gaat de reis naartoe?

Het is ons meest langzame en meest ontspannen tocht ooit. Eind juli vertrekken we van Santa Maria, een eiland in de Azoren, naar Porto Santo. Een klein dor en droog eiland vlak boven Madeira. De afstand van bijna 500 mijl leggen we in zes dagen af. Traag varen we over een vlakke zee. We zien vissen om de boot zwemmen die gulzig op ons fruitafval duiken. En zelfs dol blijken op de inhoud van onze vuilwatertank. Walvissenstaarten slaan in de verte op het water. We komen fuikjes van vissers tegen. Zelfs een drijvende koelkast met een grote stalen ketting eromheen passeert ons. De heldere lucht en het gebrek aan golven maakt dat we eindeloos ver kunnen kijken. De boot ligt stil, het beetje wind dat er is komt recht van achteren. Zo varen we het liefst, ook al gaan we door tegenstroom en weinig wind niet snel.




We hebben een andere afslag genomen dan de meeste boten. Dat geeft een wat onwennig en ook wel spannend gevoel. Samen met tientallen of wellicht wel honderden zeilboten zijn we in mei/juni de Atlantische Oceaan overgestoken naar Europa. Het overgrote deel van deze zeilers is op weg naar huis. Vanaf de Azoren varen ze terug naar hun thuishaven vaak met een tussenstop in Spanje, Frankrijk of Engeland. Hun grote reis zit er wanneer ze in de Azoren zijn bijna op. ‘Waar gaan jullie naartoe?’ Wij gaan nog niet naar huis. We willen eind 2024 opnieuw de oceaan oversteken. Want we hebben een plan, we willen naar Patagonië varen. Daarom varen wij eind juli niet naar het ‘main land’ maar naar de eilandengroep van Madeira, een voor ons nieuwe bestemming.






Begin 2023 in Suriname gingen we ervoor zitten, onze routeplanning. Waar willen we naartoe? Waar willen we sowieso geweest zijn als we straks weer terugkeren naar ons werkende leven? Met boeken over bestemmingen en zeilroutes op tafel kwamen we op een voorzichtig idee. Het zou wel heel bijzonder zijn om naar het meest zuidelijke punt van de Aarde te varen… Naar de immense gletsjers, pinguïns en verlaten uitzichten. Maar… we zaten in Suriname! Vanaf daar is het zeer moeilijk, haast onmogelijk om af te zakken naar het zuiden. Harde wind en forse stroom zouden we dan tegen hebben. Een andere optie zou zijn om via het Panamakanaal via de westkant van Zuid-Amerika naar Patagonië te gaan. Maar ook die route is niet eenvoudig. Een derde route loopt via West-Afrika en dan naar beneden. Om daar te komen moeten we wel twee keer de Atlantische Oceaan oversteken. Hoewel deze route qua afstand de langste is, sprak deze ons het meest aan. De wind en de stroming helpen je de goede kant op. En de afstanden tussen de verschillende stops onderweg vinden we te doen, de langste is nog geen 2.000 mijl. Daarbij keken we ook uit naar nieuwe bestemmingen als de Dominicaanse Republiek en Bermuda. De prachtige Azoren maakten zeven jaar terug veel indruk op me, hier wilde ik ook graag nog eens naartoe.

Wordt dit onze route? Terwijl onze medezeilers met wie we ons goed vermaken op Bermuda en de Azoren bezig zijn met het regelen van de scholen voor hun kinderen, plannen om de boot te verkopen, vinden van werk, verlangen naar een leven in een huis maken wij een klussenlijst voor het koude Zuiden. We willen onze Olim goed voorbereiden op Patagonië, want in dat gebied is zo goed als niets te krijgen. Madeira is voor ons daarom een perfecte plek, online bestelde spullen komen meestal binnen een week aan. Zo hebben we net een nieuwe pomp met vermaler gekocht voor ons elektrisch toilet, voor het geval we anders maanden boven de puts moeten hangen. We gaan onze kachel schoonmaken, nieuwe zeilen zijn besteld, de kotterfok heeft twee riffen gekregen, de stuurautomaat repareren we (weer). Wanneer we ons realiseren hoe cruciaal een goede voorbereiding is, vinden we het wel spannend wat we gaan doen. Maar bovenal erg leuk.







