In de ban van switi Sranan

De velletjes van de pommelo pulk ik zorgvuldig van de vrucht. Je krijgt ze namelijk niet doorgebeten. ‘Dat is niet hoe Surinamers dat doen’, zegt Kenneth lachend. Eerder heeft hij me geleerd hoe ik een komkommer klaarmaak. Je snijdt het bovenste stukje eraf en draait dat rond op de rest van de komkommer, een melkachige substantie verschijnt op de groente. ‘Dan snijd je nog een dun plakje eraf.’ Hetzelfde raadt hij me aan te doen bij de andere kant van de groente. En verrek! We vonden de komkommers al zo bitter, nu smaakt de groente heerlijk. Een beetje zoetig. Hoe ik de pommelo eigenlijk moet behandelen, hoor ik niet. Ik heb de citrusvrucht al zodanig behandeld dat ik alleen door kan gaan op de onhandige manier waarop ik ben begonnen.

Het is eind februari en we logeren in Groningen. Hoewel deze plaats de hoofdplaats is van het district Saramacca telt het maar een handjevol straten. Er wonen nog geen 3000 mensen. Het is de plek waar in 1845, iets meer dan twintig jaar voor de afschaffing van de slavernij in 1873, boeren uit Nederland zich vestigden. Ze hielden het niet lang uit in Groningen. Het tropische klimaat, slangenbeten, moeilijk te bewerken grond en weinig steun van de overheid maakten dat men er wegtrok, als de Nederlandse boer niet al was overleden. Afstammelingen van de paar gebleven boeren worden boeroes genoemd. Ze zijn te herkennen aan hun witte huid. Er schijnt nog een aantal in Groningen te wonen. We zijn nieuwsgierig naar deze historische plek met haar exotische naam.

Op 4 januari kwamen we aan in Suriname. Dat we eind februari eindelijk samen een meerdaagse trip kunnen maken is heel goed nieuws. Jouke heeft tijdens de oversteek een blessure opgelopen waardoor hij niet lang kan zitten. Door het weinige bewegen onderweg is zijn SI-gewricht geblokkeerd. Sinds half januari is hij onder behandeling van een fysiotherapeut. Met name opstaan na het zitten deed ongelooflijk veel pijn. Lange autoritten ondernamen we daarom niet. Het gaat langzaamaan gelukkig steeds beter met hem en we durven het zes weken na aankomst aan om de reis naar Groningen, zo’n twee uur rijden, te maken.

We vertrekken op de bonnefooi in onze gehuurde Mitsubishi Pajero, een fourwheeldrive waarmee we goed over onverharde wegen en kuilen kunnen rijden. Op Google vonden we van tevoren drie adressen waar we konden logeren. We besloten niets te reserveren, zodat we op de plek zelf een keuze kunnen maken. Het eerste adres denken we meteen te vinden: een oud, vergeeld bord langs de weg geeft aan dat we voor het pension een onverharde weg in moeten rijden. We rijden de weg bijna helemaal af maar zien niets wat lijkt op een levendige herberg. ‘Laten we de volgende proberen, deze bestaat volgens mij niet meer.’ Ik rijd de dichtstbijzijnde oprit op om te kunnen keren zonder in de greppel te belanden. Op naar nummer twee. ‘Klopt het adres wel?’ We staan voor een verlaten terrein met vervallen houten huizen. Aan een van de ooit witte panden hangt wel was te drogen, maar we zien niemand. Het hek van het zandterrein zit op slot. De huizen zijn zo vervallen dat ik, in tegenstelling tot Jouke, ook niet mijn best wil doen om hier te kunnen slapen.

‘In de buurt is nog een resort, laten we daarheen rijden.’ Ik start de Pajero en Jouke leidt me naar het derde adres. We rijden over een prachtige, groene, onverharde straat. De grote schuifpoort van het resort is dicht, maar de deur ernaast staat open. ‘Hallo!’ we lopen het terrein op en verwachten een reactie te krijgen. ‘ Is daar iemand?’ Hmmm, we zien en horen niemand. Ik bel het nummer dat op het bord staat. Geen reactie. ‘Zullen we dan toch maar proberen of dat eerste hotel nog bestaat? Misschien hadden we nog verder die straat in moeten rijden,’ zeg ik, wat teleurgesteld omdat deze laatste plek er zo mooi uitziet.

We rijden opnieuw de Wirantalaan op. Een auto achter ons slaat ook af en rijdt achter ons aan. We stoppen om de bestuurder te vragen naar het pension. Het blijkt het eerste pand te zijn. De man vertelt ons dat het pension niet meer actief is maar dat het goed kan zijn dat er wel een kamer te huur is. We spreken vervolgens over de situatie in Paramaribo. Nog geen week geleden waren daar rellen. Hij waarschuwt ons, als bakra’s, om er niet heen te gaan. Voor hem is het er ook niet veilig. ‘Ik ben Hindostaans toch. Net als Santokhi. Daarom is het er niet veilig voor ons.’

We rijden het terrein op en een oudere man loopt op ons af. Hij wil ons eerst de kamer laten zien, dan kunnen we erna besluiten of we er willen slapen of niet. Zijn plan is om de kamers op te knappen, zodra de overname van het pension helemaal rond is. Hoewel de kamer inderdaad erg basic is, besluiten we er te blijven. Keuze hebben we immers niet.

Onze host is Kenneth, een creoolse man van 68. We hebben een fantastische tijd op zijn terrein en in Groningen. Het is een gemoedelijk plaatsje met een mooie waterkant aan de Saramaccarivier. Maar het leukst vind ik de verhalen van Kenneth, vooral wanneer hij vertelt over zijn activistische verleden en zijn kameraden. Onder het met palmbladeren overdekte prieel kletsen we uren met hem. ‘Ik heb wel eens gedacht om een boek te schrijven over alles wat we hebben meegemaakt. Maar Desi (Bouterse) zei me: “Je weet dat we niet alles kunnen opschrijven.'” We leren zo veel over Suriname, over haar droevige doch rijke geschiedenis, de achtergronden van de mensen die er wonen en over de deplorabele situatie van het land op dit moment. Op onze ereaders lezen we, tegelijkertijd, De Doorsons van Roline Redmond. Haar grondige en prachtig beschreven onderzoek naar de achtergronden van haar familie leert ons de plek waar we zijn beter te begrijpen. Redmond beschrijft de Surinaamse geschiedenis zo dat ik de verhalen van Kenneth en anderen die we spreken kan plaatsen in de complexe geschiedenis.

Na twee nachten gaan we verder. We krijgen casave, verse vruchtensap en drie heerlijke waternoten mee. Alles uit eigen tuin. Elke Surinamer leert al jong hoe je groente en fruit verbouwt, wordt ons verteld. Overal waar we wandelen en fietsen zien we mango’s uit bomen vallen, papaya’s wachten om geplukt te worden, we zien staken voor de kousenband langs elk pad, tomatenplanten, pompoenen en aubergines over de grond krioelen, trossen bananen in de palmen hangen. Iedereen met een tuin verbouwt zijn eigen groente en fruit, en alles lijkt het zo goed te doen in dit tropische klimaat.

De overweldigende en alom aanwezige natuur fascineert ons elke dag opnieuw. Vanuit marina Waterland waar we nu al weken met onze boot liggen maken we dagelijks een wandeling. We zien dan doodskopaapjes die van tak naar tak springen, soms kapucijnerapen, we zien schuwe capibara’s, grote vogelspinnen, een keer een stekelvarken, soms een slang, zelfs eens een luiaard, toekans vliegen voorbij en elke avond spotten we dezelfde kaaiman.

We zijn in de ban van het land. Van haar vriendelijke mensen, hun culturen, hun geschiedenissen, hoe de mensen met hun verschillende achtergronden samenleven, van de taal die ook onze taal is maar soms net wat anders gebruikt wordt en van de jungle.

We blijven in Suriname totdat Jouke hersteld is, een terugval tijdens de volgende vaartocht willen we zo veel mogelijk voorkomen. Hoe lang dit nog duurt weten we niet. Wat we wel weten is dat we hier zeker terugkomen.

3 gedachtes over “In de ban van switi Sranan

  1. Wat een geweldig verhaal en wat een prachtige foto’s. Echt genieten om jullie avontuur te lezen. Een echt ‘heimweeverhaal’.
    En ook goed om te lezen dat Jouke weer wat opknapt. Brasa

    Like

  2. Hallo Olim,

    Vandaar dat ik al zo lang geen Olim zie bewegen op MarineTraffic.
    Oh, wat een vreselijk plek om te herstellen. Succes er mee, ja toch.

    Wat is het toch een prachtig land met switi bewoners.
    Prachtig jaloersmakend hoe jullie dat mooie plekje in Groningen hebben ontdekt met al die verhalen er bij.

    Groetjes uit een natte sneeuw koude avond Hellevoetsluis.

    Like

Geef een reactie op Anneke Reactie annuleren