Tien april is het zover: we verlaten Gambia om de oceaan over te steken naar Brazilië. Een tocht waar we je nog niet over verteld hebben. Wanneer we wegvaren uit Banjul de zee op zijn de golven hoog en irritant. Met de motor op volle toeren hakken we ons een weg naar buiten. ‘Oh, er drijft ook troep rond,’ laat ik Jouke weten als ik een breed houten plankje voorbij zie komen. Oppassen geblazen dus, want zo’n plank kan onze schroef flink beschadigen. ‘Is dat niet een onderdeel van onze boegspriet?’ vraagt Jouke zich af. Verrek! Door het harde stampen op de golven is een van de planken eraf getrild.
We motoren bijna drie uur door totdat we denken voldoende uit de kust te zijn om de goede kant op te zeilen. Dat lukt maar net, we zeilen aan de wind en houden precies voldoende hoogte om niet te dichtbij land uit te komen. Wanneer we vlak voor ons grote, brekende golven zien schrikken we enorm. Zit hier een ondiepte? Op de waterkaart staat die net ergens anders, maar ja zandbanken kunnen natuurlijk verplaatsen. We kunnen de brekers gelukkig ontwijken maar we realiseren ons wel dat we beter nog iets langer hadden door moeten motoren. We komen nu eigenlijk te dichtbij het land uit. In dieper water zijn we veiliger.
Je denkt wellicht: waarom varen ze langs de kust? Ze gaan toch de oceaan oversteken? Om op de gewenste plek in Brazilië uit te komen, kunnen we niet in een rechte lijn op ons doel af varen. De doldrums, grote windstiltegebieden, en fikse westwaartse stroming vlak onder de evenaar zorgen ervoor dat we strategisch te werk moeten gaan. We hebben een aanpak gekozen: we gaan zo oostelijk mogelijk de evenaar over. Niet meer dan 22 breedte graden. Het nadeel van deze koers is dat hoe dichter bij Afrika hoe groter de doldrums zijn. Want als we al eerder koers zouden zetten naar Brazilië zouden we minder last hebben van de doldrums. Maar het nadeel is dan weer dat we door de stroming vlak onder de evenaar meteen naar westen geduwd worden en te noordelijk uitkomen. Onze boot blinkt niet uit in scherp aan de wind varen, wat betekent dat we in Brazilië veel moeite gaan hebben om nog naar Salvador te komen. Wie weet komen we er wel helemaal niet! Van meerdere zeilboten hebben we al gehoord dat het ze niet gelukt is om op de gewenste plek uit te komen. We zakken dus eerst de Afrikaanse kust af, voordat we echt gaan oversteken.

Net van de schrik bekomen door de grote brekende golven, zien we opeens van land tientallen open visserskano’s recht op ons af varen. Zien ze ons wel? Ze komen zo dichtbij! De mannen zwaaien uitbundig en schreeuwen ons enthousiast toe, alsof we met z’n allen ons favoriete voetbalteam gaan aanmoedigen. Jouke brult met ze mee, wat voor nog meer opwinding op de felgekleurde houten boten zorgt.
Intussen piep ik mijn curry op die we de dag ervoor bij een afhaalrestaurant hebben gehaald. Als ik het eten uit de magnetron haal, valt alles over de grond. Ik kan wel janken, wat ik dan ook doe. De onstuimige zee, de zeeziekte, de schuddende boot en dan ook nog mijn avondmaaltijd verpest.. en dit nog 2300 mijl lang..
Zo dynamisch als de eerste dag was, zo weinig spannends gebeurt er de dagen erop. We varen pal zuid, richting de evenaar. En zo’n zeven graden boven de evenaar komen we in de befaamde windstilte terecht. De wind kakt in en op de vijfde dag maken we een voortgang van maar 66 mijl. De dag erna gaan we zelfs maar 44 mijl vooruit. En de dag daarna nog maar 34 mijl. We zweten ons suf, het is hartstikke warm en benauwd. Af en toe komt er een squall voorbij, een onweersbui met gelukkig een beetje wind.
En dan op 22 april is ie er weer: wind! Een bijzondere dag aan boord, want we steken dan de evenaar over! Voor beiden van ons de eerste keer op het zuidelijk halfrond. Je vraagt je vast af of we Neptunus nog geëerd hebben. Ik vermoed dat we de enige zeilboot zijn die deze traditie heeft overgeslagen, ik lag namelijk zo heerlijk te slapen. Desalniettemin hebben we prachtige dagen op zee. We leggen mooie dagafstanden af, Jouke vangt een gigantische merlijn en we krijgen twee nachten op rij bezoek van een twintigtal noddies. De vogels zitten achter elkaar op de bakboordreling te slapen, een prachtig gezicht. Zodra de zon opkomt, vliegen ze een voor een weg. Een dek vol vogelpoep achterlatend. ’s Avonds komen ze weer terug en zoeken ze hun plekje op.
Inmiddels beginnen we af te tellen, nog iets meer dan tweehonderd mijl te gaan. Het is 1 mei en we zijn er bijna! We kijken terug op een goede oversteek. Heel comfortabel, wel zeven boeken heb ik kunnen lezen. Inmiddels hebben we koers gezet naar de stad Salvador.
Maar we beginnen te vroeg terug te blikken. We zijn er nog niet… de wind begint steeds meer aan te trekken en verandert van richting. We moeten scherper en scherper varen, de boot gaat steeds schuiner. Om vaart te kunnen houden hebben we zowel de genua als de kotterfok omhoog. Maar de onweersbuien nemen ook toe. Hierin zit zoveel wind dat we bij elke squall helemaal plat lijken te liggen. Twaalf knopen zie ik op de snelheidsmeter, dit gaat veel te ruig. Het regent hard en golven denderen over ons heen. De laatste twee nachten brengen we samen in het dekhuis door, het is te ontstuimig om de nachtdiensten alleen te draaien. Koken lukt niet, gelukkig vinden we nog pakken mueslirepen. Zelfs de vieze met bananensmaak gaan op. Nu er zo veel water over de boot komt, zien we dat het water via de ramen van het dekhuis naar binnenkomt. Oh nee, lekkages! Door verouderde kit bij de dekramen zijn er waarschijnlijk kieren ontstaan waardoor het nu onder de ramen lekt. Wanneer is deze ellende voorbij? Oh wat kijken we ernaar uit als we er zijn. De wind blijft maar aantrekken en de golven worden hoger en hoger. Ik tel de mijlen af.
En dan alsof ze er snel voor ons neergezet zijn, doemen opeens de hoge flatgebouwen van de stad Salvador op. Land in zicht. Eindelijk. Op zaterdagavond 3 mei gebeurt het, we laten het anker zakken in de baai van Salvador. We zijn in Brazilië!












Mooi geschreven! Wat een avontuur! Is die Merlijn helemaal opgesmikkeld?
LikeGeliked door 1 persoon